Ga naar hoofdinhoud

De cirkel, de driehoek en het vierkant – de verborgen symboliek in aikido

Meer dan vormen

Op het eerste gezicht lijken het gewone vormen:
De driehoek, de cirkel, het vierkant.
Maar in aikido – en in de Japanse tradities van zen en shinto – dragen ze een diepere betekenis.

O’ Sensei, de grondlegger van aikido, gebruikte deze drie vormen om de weg van aikido uit te leggen:
als symbolen van beweging, balans en geestelijke groei.

In aikido zijn vormen geen versiering, maar wegwijzers.

De driehoek – stabiliteit en richting

De driehoek staat voor structuur, stabiliteit en het vinden van een uitgangspunt.
In de praktijk herken je dit in hoe je beweegt:
je neemt een hoek, je kiest richting, je creëert afstand en veiligheid.

Technieken zoals irimi (instappen) gebruiken vaak een driehoekige beweging:
je beweegt schuin in plaats van frontaal – niet botsen, maar leiden.

De driehoek leert je om helder en doelgericht te bewegen – met focus en stabiliteit.

De cirkel – vloeiendheid en verbinding

De cirkel symboliseert continuïteit, harmonie en meebewegen.
Een groot deel van aikido bestaat uit cirkelvormige bewegingen.
Niet blokkeren, maar rondleiden. Niet stoppen, maar de stroom volgen.

Ook je aandacht beweegt in een cirkel:
niet alleen naar buiten (de ander), maar ook naar binnen (jezelf).

De cirkel herinnert je eraan dat kracht zacht kan zijn – en dat verbinding sterker is dan weerstand.

Het vierkant – aarding en integratie

Het vierkant staat voor stabiliteit, structuur en voltooiing.
Je kunt het zien als de uitdrukking van techniek in de fysieke wereld:
een beweging die zijn vorm gevonden heeft, stevig en gegrond.

Op de mat betekent dit: goed staan, verbonden met de vloer, aanwezig in je centrum.

Het vierkant vraagt van je om aanwezig te zijn – in je lichaam, in het hier en nu.

Drie symbolen, één weg

De drie vormen zijn als fasen van ontwikkeling:

  1. De driehoek helpt je richting kiezen.
  2. De cirkel leert je meebewegen.
  3. Het vierkant laat je stevig staan in wat je hebt geleerd.

Samen vormen ze een eenheid – net als lichaam, geest en beweging in aikido.

In de eenvoud van een vorm schuilt de diepte van een levenshouding.


Interview met Fujita Sensei, 8e dan, technisch adviseur van de British Aikido
Federatie


(BAF) en de Nederlandse Culturele Aikikai Federatie (NCAF) door Peter Megann
tijdens de
BAF-zomerschool van 1994.


PM
Kokyu-ryuku (ademhalingskracht) is een essentieel, maar zeer moeilijk, bijna
mysterieus concept van aikido. Is het voor Japanners even moeilijk te begrijpen als
voor Westerlingen?


FS

Ja, dat is het.


PM
Kunt u het vanuit uw eigen ervaring en uw relatie met O-Sensei voor ons enigszins
verhelderen?


FS
Het is niet gemakkelijk onder woorden te brengen, hoewel het nog moeilijker is om
het in praktijk te brengen! Het is een levenstaak om het te begrijpen. Ten eerst is het
van belang in te zien dat er twee soorten krachten zijn. Er is spierkracht en er is
kokyu-ryoku, of ademhalingskracht. Wanneer over kracht in verband met sport wordt
gesproken gaat het in het algemeen over spierkracht. Het is bijvoorbeeld met
spierkracht waarmee iemand je arm vastpakt, en dan is die bovendien
geconcentreerd op één bepaalde plek. Als we iemand willen optillen gebruiken we
spierkracht. In aikido gebruiken we niet deze spierkracht, maar een kracht van
binnenuit. We proberen niet te tillen of te duwen.


PM
Maar het is toch ook niet mystiek? Ik denk dat sommigen dat wat ki-kracht heet, een
beetje esoterisch vinden, iets waarvoor speciale training is vereist om het te
ontwikkelen. Of is kokyu-kracht in feite een fysieke kracht, maar een andere wijze
waarop je je lichaam gebruikt, een gebruik van energie zonder tussenkomst van de
spieren?


FS
Kokyu-ryoku is kracht van het hele lichaam. Al onze energie gaat naar buiten,
breidt zich uit, strekt zich uit. Vergelijk het met een ballon. Een ballon is niet leeg,
daarin is een kracht, een druk naar buiten die gelijk is verdeeld over het hele
oppervlak ervan. Zo zou ons lichaam moeten zijn in aikido, met gelijk verdeelde druk
binnen het geheel: in de handen bij het maken van contact, in de voeten op de
grond; in ieder deel ervan zou de druk gelijk moeten zijn. Maar het is makkelijk
gezegd en zonder betekenis als we het niet kunnen toepassen in aikido. Ik zeg niet
dat fysieke kracht geen rol speelt, de vraag is hoe het wordt gebruikt. Ki is de
samenwerking van geest (mind) en lichaam. Een groot persoon kan erg sterk zijn,
maar als hij niet weet hoe geest en lichaam samen te gebruiken, heeft zijn kracht in

aikido geen waarde. Sommige aikidoka’s besteden veel tijd aan het bestuderen van
ki en het verbinden van lichaam en geest. Dit is allemaal goed en aardig, maar de
vraag is of ze het weten toe te passen. Het is ki-kracht, waardoor lichaam en geest
samenwerken. In de theorie van aikido vinden we dit vanzelfsprekend terug, als shin
toitsu, maar van belang is of je het voor je kan laten werken of niet. Ki-kracht is
overal aanwezig, niet alleen in één deel van het lichaam. Je kan het vergelijken met
een opwellende bron: het komt uit het centrum of de seika tanden. Zonder balans is
er geen ki hetgeen balans erg belangrijk maakt. In de balans ligt de oorsprong van ki,
daar ligt het begin. Voor zover men denkt dat een verkleedpartij volstaat om ki te
genereren, zitten we met een probleem. Zoals al eerder gezegd komt wat we
normaal spierkracht noemen van de spiercellen, die uitzetten en inkrimpen.
Ademkracht, waarbij wel spieren en botten betrokken zijn, komt niet voort uit
spierkracht. Hier hebben we het over tai-ko-atsu. Tai-ko-atsu kan je vergelijken met
de werking van een ballon. Het is een kracht van binnenuit en ligt in de organen. Het
is niet de fysieke, waarneembare spierkracht. Er is wel vijf maal zoveel kracht van
binnenuit mogelijk als van de spieren. Van oudsher kennen we verhalen van oudere
vrouwen, die bij brand enorm zware lasten in veiligheid hebben gebracht. Het was
duidelijk dat dit niet met spierkracht alleen mogelijk zou zijn geweest. In normale
omstandigheden zouden zij de zware last niet hebben kunnen verplaatsen, maar in
de brand konden ze er rennend mee op de vlucht gaan. In aikido gaat het erom deze
innerlijke kracht altijd werkzaam te maken. En hierover bestaan de meeste
misverstanden: het gaat hier niet om techniek of waza. Sommigen denken dat het
hard trainen is waarom het gaat en zijn gelukkig wanneer ze zich hebben uitgeput.
Maar dit is onzin. Belangrijk is het om intelligent te trainen, de juiste techniek eigen te
maken en geen inspanning te verspillen. Er zijn mensen, die plotseling op een dag
ademkracht begrijpen. Het heeft niets te maken met dan graden. Er zijn 3e en 4e
danners, die het niet begrijpen. O-Sensei schonk ons wat we noemen ryo, een
trainingsmethode waarmee we onze kokyu ryoku kunnen ontwikkelen. Voor
beoefenaren van kendo en karate is kokyu-ryoku van aikido moeilijk te vatten. Ze
kunnen het niet voelen. Maar toch is het noodzakelijk voor judo, kendo en zelfs
sumo. Als je het begrijpt kan je wie dan ook gooien. De beroemde sumoworstelaar
Futabayama begreep het. Hij was meer dan 60 seizoenen kampioen alhoewel hij
halfblind was. En waarom? Omdat hij kokyu ryoku had. Hij was de uitzondering. Hij
kon mensen met een vinger omduwen. Hij won altijd door te ontvangen (uke) en
verloor nooit.


PM
Over het algemeen doen we suwari-waza kokyu-ho aan het eind van de training. Als
het zo’n belangrijke, voorbereidende oefening is, waarom doen we het dan niet aan
het begin ervan?


FS
Omdat het het moeilijkste is om te begrijpen. Zouden we het eerst moeten begrijpen
dan zouden we helemaal niet meer aan aikido toe komen. Daarom oefenen we het
een beetje aan het eind van de training, maar het kan natuurlijk ook aan het begin
worden gedaan.

Vertaling: Fons Verhoeven. Uit: Aiki-Info, februari 1996. Oorspronkelijk uit: British
Aikido

Federation Newsletter, juli 1995.

Iedereen valt. Maar niet iedereen leert vallen.


In aikido leer je al vanaf de eerste les om te vallen. Rollen, neergaan, breken zonder te breken. Voor een buitenstaander lijkt dat misschien de minst leuke kant van de training. Maar wie langer traint, weet: hier zit een diepe les in verscholen.

Ukemi: de kunst van het ontvangen

In aikido heet vallen ukemi – letterlijk: “ontvangen”.
Je leert niet alleen hoe je jezelf beschermt, maar ook hoe je de energie van de ander met aandacht opvangt. Het is een fysieke vaardigheid, maar vooral ook een mentale: durven overgeven aan wat komt, zonder verzet maar mét bewustzijn.

Ukemi is niet ondergaan, het is samenwerken. Je traint jezelf om alert te blijven, zelfs in het moment van verlies, uit balans zijn, of impact.

Buiten de dojo: de les van het vallen

Wat me verraste, is hoe vaak ik buiten de mat aan ukemi dacht.
Bij een lastige dag op werk. Een conflict met een vriend. Een onverwachte verandering. Ik merkte dat ik minder snel “tegen” de situatie ging vechten, en vaker dacht:
hoe kan ik hiermee meebewegen, zonder mezelf te verliezen?

Aikido leerde me dat vallen geen teken van zwakte is. Het is een kans.
Om te voelen, te leren, te herstellen – en uiteindelijk weer op te staan, sterker dan daarvoor.

De essentie van opstaan

Je leert niet vallen om op de grond te blijven liggen.
Je leert vallen om beter te kunnen opstaan. En dat is misschien wel de grootste les die aikido je kan geven.

“De ware overwinning is de overwinning op jezelf.”
— Morihei Ueshiba